Aan de zuidwestelijke rand van Echternach, direct bij de parking van het meer, liggen de resten van een van de grootste en rijkste Gallo-Romeinse villa’s van de noordwestelijke provincies van het Romeinse Rijk. Het domein besloeg oorspronkelijk meer dan tien hectare en was gelegen langs de Romeinse weg naar Trier, destijds de provinciehoofdstad. Op grond van de vondsten vermoeden archeologen dat de villa werd gebruikt voor de paardenfokkerij, waarbij dieren werden verkocht aan het Romeinse leger.
De villa werd gebouwd rond het jaar 70 na Christus en bleef bewoond tot in de vijfde eeuw. Tijdens haar hoogtijdagen telde het hoofdgebouw tot zeventig kamers op de begane grond, verdeeld over symmetrische vleugels rond een binnenplaats met zuilengalerijen en een waterbassin. De muren waren bekleed met marmer, deels geïmporteerd uit Italië, de vloeren van meerdere vertrekken met mozaïeken. Het complex beschikte over vloerverwarming via een hypocaustesysteem en een uitgebreid badencomplex met een groot zwembassin. In de derde eeuw verwoestte een brand het gebouw; bij de herbouw werd het complex uitgebreid. Rond 275 werd de villa opnieuw vernield bij een Germaanse aanval en niet meer volledig hersteld. De monniken van de abdij van Echternach gebruikten de ruïnes in de middeleeuwen als steengroeve.