In delen van de Ardennen zitten dikke lagen kalksteen in de ondergrond. Kalksteen lost langzaam op wanneer er regen- en grondwater doorheen stroomt. Dat water neemt CO₂ op uit lucht en bodem en wordt licht zuur. Over lange tijd ontstaan zo spleten, schachten en gangen: een karstlandschap. Rivieren kunnen stukken van hun loop ondergronds verliezen, om verderop weer als bron tevoorschijn te komen. In grotten zie je vaak sporen van dat proces: glad uitgesleten wanden, oude rivierbeddingen en ruimtes waar water ooit doorheen ging.
Druipsteenformaties (stalactieten en stalagmieten) ontstaan op plekken waar water langzaam door het plafond sijpelt. Het water laat een klein beetje kalk achter, laag voor laag. Dat gaat traag: wat je ziet is het resultaat van een lange opbouw, niet van enkele eeuwen.