Tussen 29 november 1932 en 3 januari 1933 zagen vijf kinderen uit Beauraing drieëndertig maal een verschijning van de Maagd Maria. Het waren Fernande, Gilberte en Albert Voisin, en Andrée en Gilberte Degeimbre. De verschijningen vonden plaats bij een meidoornstruik in de tuin van het pensionaat van de zusters, vlak bij het spoorwegviaduct. Maria noemde zich de Onbevlekte Maagd en de Moeder van God, en vroeg de kinderen een kapel te bouwen en op bedevaart te komen. Tijdens de laatste verschijningen zagen de kinderen een gouden hart tussen haar geopende armen; sindsdien wordt ze in Beauraing vereerd als de Moeder met het Gouden Hart.
Het nieuws verspreidde zich snel. Al tijdens de verschijningen stroomden gelovigen toe met speciale treinen en bussen; agenten moesten de orde handhaven bij de meidoornstruik. De bisschop van Namen erkende de verschijningen in 1949 als bovennatuurlijk van aard. Paus Franciscus verhief de hoofdkerk in 2013 tot basilica minor.