De Ardense suikerstaart staat in de Franse Ardennen vooral bekend als galette à suc’: een ronde taart van gistdeeg met kuiltjes waarin boter en suiker smelten tijdens het bakken. Het resultaat is tegelijk zacht en licht krokant, met plakkerige plekken waar boter en suiker samen karamelliseren. In veel dorpen wordt deze taart gegeten bij koffie, als tussendoortje of als zoete afsluiter na een wandeling.
Wat deze suikertaart onderscheidt van veel andere taarten, is de eenvoud. Geen vulling, geen glazuur, geen lagen. Het gaat om de combinatie van luchtig deeg en het karamelliseren van suiker met boter aan de bovenkant. Die bovenkant wordt niet egaal dichtgestreken: juist de kuiltjes zorgen ervoor dat de boter op plekken in het deeg zakt en daar het typische “sappige” resultaat geeft.
In de streek wordt de galette à suc’ vaak genoemd naast andere bakkersklassiekers zoals zachte brioche-achtige broden. De taart wordt vaak lauw gegeten: net uit de oven is de bovenkant het plakkerigst en aromatisch, terwijl het deeg nog zacht is. Koud kan ook, maar dan wordt de boter-suikerlaag steviger. Een stuk kort opwarmen geeft het resultaat dat het dichtst bij “vers uit de oven” komt.