De Sint-Salvatorbasiliek staat in het centrum van Prüm en is de voormalige kloosterkerk van de Benedictijnenabdij. De kerk is gewijd aan de Verlosser en de Transfiguratie van Christus en draagt de titel basilica minor. Ze domineert het stadssilhouet met twee torens en een markante barokke gevel.
Sint-Salvatorbasiliek van Prüm
Karolingische oorsprong
De kerk gaat terug tot het jaar 721, toen de abdij van Prüm werd gesticht. Karel de Grote bouwde de eerste Salvatorkirche op deze plek, die daarna de bijnaam “Gouden Kerk” droeg vanwege de schatten die ze herbergde. De doorslaggevende schat was een relikwie van de sandalen van Christus. Paus Zacharias schonk die aan Pepijn de Korte in 752 als erkenning van zijn koningschap. Pepijn vertrouwde de sandalen toe aan de abdij van Prüm, waarmee het klooster uitgroeide tot de huisabdij van de Karolingers en een van de belangrijkste bedevaartsoorden in het Frankische Rijk. Door branden en verwoestingen moest de kerk meermaals worden herbouwd.
De huidige kerk werd in 1721 gebouwd in opdracht van keurvorst Frans Lodewijk van Palts-Neuburg. Hofbouwmeester Hans Georg Judas ontwierp het gebouw met verwijzingen naar Romaanse, gotische en renaissancevormen. De gevel tussen de twee torens is bekroond met beelden van de heilige Benedictus, de Heiland en de heilige Scholastica. In nissen links en rechts van de hoofdportalen staan beelden van Pepijn de Korte en Karel de Grote. Een schelpnis in het midden herbergt een Madonnabeeld. De noordelijke toren stamt uit de vijftiende eeuw en is hergebruikt in de achttiende-eeuwse heropbouw.
Interieur
Door plunderingen en verkoopveilingen na de onteigening in 1794 en door de oorlogsverwoestingen van 1944–1945 is weinig van het oorspronkelijke interieur bewaard. Het barokke hoogaltaar uit 1727 is afkomstig uit de Sint-Nicolaaskerk van Bad Kreuznach. Het koorgestoelte uit 1731 behoort wel tot de originele inrichting. Een stenen kansel dateert uit een nog oudere kerk op dezelfde plek. Bij de sloop van het oude hoogaltaar in 1860 werden de beenderen van keizer Lotharius I teruggevonden, samen met relikwieën van de martelaren Primus en Felicianus. Met steun van keizer Wilhelm I werd daarvoor een grafmonument opgericht. In 1896 kreeg het schrijnaltaar voor de sandalen van Christus zijn huidige vorm. De sandalen worden nog altijd bewaard en zijn te bezichtigen.