Honing uit de Ardennen smaakt vaak anders dan honing uit open landbouwgebieden. Dat komt vooral door het landschap: grote boszones, heidevelden, bloemrijke randen en weinig intensieve teelt op veel plekken. Bijen halen hier niet alleen nectar uit bloemen, maar ook honingdauw (suikerrijke afscheiding op bomen). Daardoor zijn Ardense honingsoorten regelmatig donkerder en kruidiger van smaak dan een lichte voorjaarshoning.
Een tweede punt is dat de Ardennen veel microgebieden hebben. In de Hoge Venen en andere heidegebieden speelt heide (callune) een rol. Heidehoning staat bekend om een stevige, aromatische smaak met een licht bittere toon en een dikkere structuur dan veel andere honingen. In bosgebieden rond de Semois, Ourthe en in de uitgestrekte Ardennenbossen kom je juist vaker bos- of woudhoning tegen. Die kan afkomstig zijn van honingdauw en heeft vaak een diepere, “houtachtige” smaak met een wat karamelachtige ondertoon.
In de Gaume (zuidelijk Luxemburg) zie je weer een ander profiel. Door het zachtere klimaat en de kalkrijke zones vind je daar vaker honing met invloeden van bloemrijke graslanden en hagen. Dat levert vaak een mildere honing op, met meer bloem- en kruidentonen dan de donkere bosvarianten. Lokale imkers mengen soms bewust verschillende drachtperiodes, waardoor je “streekhoning” krijgt die per seizoen net anders kan zijn.