Het Musée Félicien Rops staat aan de Rue Fumal, in de oude binnenstad van Namen en op een paar minuten lopen van de Halle al’Chair. Het is volledig gewijd aan Félicien Rops (1833-1898), de tekenaar en graficus die in Namen werd geboren en in Parijs carrière maakte. De provincie Namen beheert het museum, de collectie bestaat uit tekeningen, prenten, schilderijen en brieven, en in 2008 werd het huis door de Fédération Wallonie-Bruxelles in categorie A erkend. Naast de vaste opstelling loopt er doorlopend een tijdelijke tentoonstelling, en het museum heeft een tuin die naar de aanwijzingen van Rops zelf is aangelegd.
Museum Félicien Rops in Namen
Wie Félicien Rops was
Rops werd in 1833 geboren in een katholieke Naamse familie die van de handel leefde. Hij verdeelde zijn leven tussen Namen, het kasteel van Thozée op dertig kilometer van de stad, Brussel en Parijs, waar hij zich rond 1874 definitief vestigde. In 1856 richtte hij samen met onder anderen Charles De Coster het satirische blad Uylenspiegel op, waarvoor hij tekende. Vanaf 1868 was hij enkele jaren ondervoorzitter van de Société Libre des Beaux-Arts in Brussel. Zijn reputatie dankt hij aan de prentkunst: hij was een technisch uitzonderlijke etser die ets, aquatint en vernis mou combineerde en daar voortdurend mee experimenteerde. Die techniek gebruikte hij voor werk dat in zijn eigen tijd schandaal maakte. Pornocratès uit 1878 en de reeks Les Sataniques van rond 1882 zijn de bekendste voorbeelden, en hij maakte het frontispice voor Les Épaves, de bundel van Charles Baudelaire met de gedichten die uit Les Fleurs du Mal waren geschrapt. Daarnaast tekende en schilderde hij landschappen, portretten en karikaturen, en dat deel van zijn werk is in Namen ruim vertegenwoordigd. Voor uitgevers in Parijs maakte hij frontispices en illustraties voor schrijvers uit de decadente en symbolistische kring, wat hem tot een van de bekendste Belgische kunstenaars van zijn generatie maakte. Hij stierf in 1898 in Essonnes bij Parijs, op vierenzestigjarige leeftijd.
Hoe het museum er kwam
Namen deed lang niets met zijn beroemdste kunstenaar. Pas in 1936 vormde zich een groep die zich de Ropsisten noemde en die aandrong op een eigen museum. Een jaar later kwam er in het Hôtel de Croix een tentoonstelling met zijn litho’s, gravures, schilderijen en tekeningen, maar de erotische en satanische prenten bleven daar bewust buiten; wat hing was het realisme, de karikatuur en het landschap. In 1962 schonk graaf Visart de Bocarmé ongeveer driehonderd werken aan de provincie Namen, en in 1964 kreeg Rops een eerste vaste zaal in de Hôtel de Gaiffier d’Hestroy aan de Rue de Fer, hetzelfde huis waarin nu het TreM.a zit. Die zaal was te klein en een groot deel van de schenking bleef in het depot. Daar kwam pas verandering in met de opening van het eigen museum aan de Rue Fumal in 1987. In 2003 ging het opnieuw open na een verbouwing met een nieuwe opstelling en moderne klimaat- en beveiligingstechniek, en in 2008 volgde de erkenning in categorie A. Het museum is monografisch, dus alles wat er hangt en ligt draait om één kunstenaar en om de mensen met wie hij werkte. Naast de zalen beheert het museum een digitaal archief van zijn correspondentie, dat op een eigen website te doorzoeken is.
Wat je in de zalen ziet
De opstelling volgt Rops door zijn werk heen en zet de bekende prenten naast het werk dat minder rondgaat. Je ziet landschappen uit de omgeving van Namen en van de Maas, portretten, karikaturen uit zijn tijd bij Uylenspiegel en de illustraties die hij voor schrijvers maakte. In vitrines liggen brieven, schetsen en documenten; Rops was een productief briefschrijver en die correspondentie is een van de redenen dat er zoveel over zijn werkwijze bekend is. De tijdelijke tentoonstellingen belichten telkens een thema of een deel van de collectie, en de volledige verzameling is ook online te doorzoeken. De zalen zelf zijn ingericht met geplooide stof tegen de wanden, in roze en in crème, waardoor de kleine prenten in hun brede passe-partouts rustig hangen; in een van de zalen staan de schilderijen juist tegen een donkere grijspaarse wand. Wie alleen de reputatie van Rops kent, ziet hier dus ook de landschapsschilder en de illustrator, en de vitrines laten zien hoe nauw die twee kanten van zijn werk met elkaar samenhingen.
De tuin van Rops
Rops was een fanatiek plantenliefhebber en beschreef in zijn brieven precies welke soorten hij mooi vond en hoe hij ze bij elkaar wilde zien. In 2005 is de tuin bij het museum op basis van die beschrijvingen volledig opnieuw aangelegd, dus wat er groeit gaat terug op de voorkeuren van de kunstenaar zelf. Vooraan in de tuin staat Carré d’ardoises van de kunstenares Anne Jones, een werk dat uit vijfentwintig bollen van leisteen bestaat. Het museum gebruikt de tuin ook voor lezingen en andere bijeenkomsten, waardoor het er in het seizoen geregeld druk is.
In de buurt
Het museum ligt midden in het oude Namen, in een straat die zelf weinig verkeer heeft. Op loopafstand staan de Halle al’Chair aan de Samber, het Koninklijk Theater aan de Place du Théâtre en het belfort in de Rue du Beffroi. Aan de Rue de Fer, een kwartier lopen verderop, zit het TreM.a met de schat van Oignies, en vanaf de Place Maurice Servais brengt de kabelbaan je in een paar minuten naar de citadel boven de stad. Een middag in de benedenstad laat zich dus goed combineren met een bezoek aan het museum.
Praktisch bij je bezoek
- Open van dinsdag tot en met zondag van 10.00 tot 18.00 uur, met de laatste toegang om 17.00 uur. Maandag gesloten, net als op 24, 25 en 31 december, 1 januari en het derde weekend van september.
- Vanaf 28 september 2026 kost een kaartje 10 euro vanaf 26 jaar en 5 euro van 19 tot en met 25 jaar. Tot 18 jaar is de toegang gratis.
- Elke eerste zondag van de maand is de toegang gratis, net als voor houders van de museumPASSmusées.
- Het adres is Rue Fumal 12, in het voetgangersgebied; parkeren doe je op een van de parkings rond de oude stad.
In en rondom Namen
De citadel van Namen staat op een rotsrichel van 100 meter boven de samenvloeiing van Samber en Maas. Het complex van 80 hectare heeft een tweeduizend jaar oude militaire geschiedenis en telt vier kilometer ondergrondse gangen waarvan één kilometer toegankelijk is. Vanuit het stadscentrum brengt een kabelbaan je naar boven.