De Sint-Albanuskathedraal staat aan de Place Saint-Aubain, een paar honderd meter van de Maas en pal onder de citadel van Namen. Sinds 1559 is dit de zetel van het bisdom Namen; daarvoor was het ruim vijf eeuwen een collegiale kerk. Het gebouw dat je nu ziet is pas tussen 1751 en 1767 opgetrokken, naar het ontwerp van een Italiaanse architect, en dat is eraan af te lezen: een hoge gevel van blauwe hardsteen met zuilen en beelden, en daarachter een groene koepel die vanaf de wallen van de citadel boven de daken van de binnenstad uitkomt.
De Sint-Albanuskathedraal in Namen
Een overstroming en een nieuwe kerk
De oude collegiale ging niet aan ouderdom ten onder maar aan het water. In december 1740 raakte het gebouw bij een overstroming zo zwaar beschadigd dat instorten een reële mogelijkheid werd. Herstellen bleek geen optie, en het kapittel en bisschop Paul-Godefroid de Berlo de Franc-Douaire besloten tot volledige nieuwbouw. Het slopen werd aan het leger overgelaten, dat er springstof voor gebruikte. Op 21 juni 1751, de feestdag van Sint-Albanus, ging de eerste steen de grond in. Het ontwerp kwam van Gaetano Matteo Pisoni, die het gebouw omdraaide: de nieuwe kathedraal staat als een spiegelbeeld van de oude, met het koor aan de kant waar vroeger de ingang zat. In 1767 was de bouw klaar en op 13 oktober van dat jaar nam de bisschop het gebouw in gebruik. De plechtige wijding volgde pas vijf jaar later, op 20 september 1772.
De collegiale en de toren die bleef staan
De kerk begon in 1047, toen graaf Albert II van Namen hier een collegiaal kapittel stichtte. Rond 1050 haalde zijn zwager Frederik van Lotharingen, de eerste deken, een deel van de schedel van Sint-Albanus uit de dom van Mainz naar Namen; daaraan dankt de kerk haar patroonheilige. In 1209 nam paus Innocentius III het kapittel onder zijn bescherming. Toen Filips II in 1559 de bisdommen in de Nederlanden opnieuw indeelde, werd Namen bij pauselijke bul van 12 mei een bisschopszetel onder het aartsbisdom Kamerijk, en groeide de collegiale uit tot kathedraal. Van dat middeleeuwse gebouw is alleen de klokkentoren links van de kathedraal overeind gebleven. Bij de sloop rond 1750 bleef hij gespaard omdat de geplande geveltorens er nooit kwamen; in 1648 was hij al verhoogd met de spits die er nu nog op staat. Binnenin hangt het oudste en grootste van de drie beiaarden van Namen: negenenveertig klokken van samen 12.750 kilo, met als zwaarste de bourdon Aubain van 2.630 kilo. Elk kwartier laat het carillon zich horen, en bij een bisschopsbegrafenis of een huwelijk gaan zes klokken in volle vlucht.
Wat je aan het gebouw ziet
De voorgevel is opgetrokken in petit granit, de blauwe hardsteen die je in deze streek meestal alleen in plinten en deuromlijstingen terugziet en die hier over de volle hoogte is gebruikt. Twintig korinthische zuilen verdelen het front, de drie ingangen zitten onder halfronde frontons en op de bekroning staan vijf beelden: Christus met vier apostelen. Korinthische en composiete kapitelen, gebogen en driehoekige frontons en de hele opbouw van de gevel komen uit de Italiaanse barok.
Het gebouw is achtenzeventig meter lang, waarvan negenentwintig meter koor. Schip, dwarsbeuk en koor zijn zeventien meter breed en vierentwintig meter hoog; de zijbeuken halen zes meter. Boven de kruising rust een halfronde koepel op een trommel met acht vensters, en met de lantaarn erop komt het hoogste punt op ongeveer zeventig meter. Loop om de kerk heen: aan de achterzijde, waar rode baksteen tussen de hardstenen banden blijft staan, zie je die koepel het beste.
Binnen
Binnen is de kathedraal wit. Stucwerk bedekt de wanden en de gewelven, met vergulde sterren en plantmotieven, en tussen de kapitelen loopt een fries met guirlandes van vruchten en bloemen de hele kerk rond; in de pendentieven van de koepel zitten reliëfs. Aan de muren hangt werk van Antoon van Dyck, Jacob Jordaens, Jacques Nicolaï en N. Roose. De preekstoel is in 1848 gesneden door Karel Geerts. Het orgel werd tussen 1844 en 1849 gebouwd door Wilhelm Korfmacher, in de jaren zestig volledig herbouwd en telt nu zestig registers op vier klavieren en pedaal. Bij het hoogaltaar zit een marmeren plaat voor Don Juan van Oostenrijk, de buitenechtelijke zoon van Karel V die in 1578 in een legerkamp bij Namen aan tyfus stierf en hier eerst met zijn Gulden Vlies werd begraven. Zijn lichaam ging in 1579 naar het Escorial bij Madrid; achter die plaat bleef een kistje met zijn hart achter.
Het plein en de schatkamer
Voor de kathedraal ligt de Place Saint-Aubain, met aan de overkant het Palais provincial, het vroegere bisschoppelijk paleis. Op de zondag van de Fêtes de Wallonie, half september, is dat plein het toneel van de Joute de l’Échasse d’Or. De steltlopers van Namen, verdeeld over de kampen van de Mélans en de Avresses, proberen elkaar dan vanaf half vijf ’s middags van hun stelten te stoten; de winnaar krijgt een gouden stelt. De rest van het jaar staan er auto’s geparkeerd.
Rechts van de kathedraal, aan de Place du Chapitre, zit het diocesaan museum met de schatkamer van de kathedraal. Daar liggen de pronkstukken van het bisdom bij elkaar: de kroonreliekhouder van de Heilige Doornen, de reliekhouder van Brogne en een reeks middeleeuwse phylacteria, naast goudsmeedwerk, ivoor en oude handschriften. Van mei tot september is het museum op donderdagmiddag open, van twee tot vijf uur; groepen kunnen op afspraak terecht.
De kathedraal is voorlopig een bouwwerf
- Op 12 januari 2026 ging de kathedraal dicht nadat er een steen van de gevel was gevallen.
- Voor september 2026 is de heropening aangekondigd: bij elke deur komt een verlichte tunnel die vallend gesteente opvangt, met schuttingen van vier meter hoog rond het gebouw.
- De gevel wordt tussen 2027 en 2029 aangepakt. Daarna volgen de stabiliteit van het gebouw, de koepel en het dak; in 2033 moet alles klaar zijn.
- Wallonië trok twaalf miljoen euro uit voor de restauratie, de provincie legde 2,1 miljoen bij.
- Controleer voor je gaat of de kathedraal open is.