In de vroege ochtend van 16 december 1944 brak om 5.30 uur een verwoestend artilleriebombardement los over de Ardennen. Meer dan 200.000 Duitse soldaten en bijna 1000 tanks trokken de besneeuwde bossen in. Voor de geallieerden, die de Ardennen beschouwden als een rustig en ondoordringbaar gebied, was het een volkomen verrassing. Het was het begin van het Ardennenoffensief, in de Engelstalige wereld beter bekend als de Battle of the Bulge.
Het Ardennenoffensief: Hitlers laatste gok
De aanloop
In het najaar van 1944 leken de geallieerden de oorlog in rap tempo te winnen. Na de succesvolle landing in Normandië op 6 juni 1944 hadden ze het grootste deel van Frankrijk en België bevrijd. In september hadden ze Antwerpen veroverd, wat hen voor het eerst een grote haven gaf om troepen en materieel aan te voeren. De frontlijn liep inmiddels van Luxemburg tot aan Antwerpen.
Hitler zag zijn kansen slinken. Al sinds september 1944 werkte hij aan een plan voor een groot tegenoffensief. Het doel: met een verrassingsaanval door de Ardennen de Maas oversteken, Antwerpen heroveren en een wig drijven tussen de Britse en Amerikaanse legers in het noorden en het zuiden. Als dat lukte, zouden de geallieerden gedwongen zijn tot onderhandelingen, zo redeneerde hij. Dan kon hij zijn volledige aandacht richten op het Russische leger dat vanuit het oosten oprukte.
Het plan was gedurfd, maar hing af van drie factoren: verrassing, snelheid en slecht weer. Slecht weer was nodig om de geallieerde luchtmacht aan de grond te houden, want in de lucht waren de Duitsers kansloos. De Ardennen leken de ideale plek: heuvelachtig, bosrijk, moeilijk begaanbaar en aan de geallieerde kant bezet door relatief onervaren troepen die er bijkwamen van zwaardere gevechten elders.
De aanval
Op 16 december 1944 vielen drie Duitse legers tegelijk aan. Het 6e SS-Pantserleger onder leiding van Sepp Dietrich trok op in het noorden richting Luik. Het 5e Pantserleger van Hasso von Manteuffel richtte zich op het centrum, met als belangrijkste doel het wegenknooppunt Bastogne. Het 7e Leger van Erich Brandenberger beveiligde de zuidflank. De operatie had de codenaam Wacht am Rhein gekregen, om de geallieerden te laten denken dat het om een defensieve operatie ging.
De eerste dagen verliepen desastreus voor de geallieerden. De frontlijn deinde terug in de vorm van een grote uitstulping, de “Bulge”, die de slag zijn naam gaf. In het noorden slaagde een Duits tankkorps onder leiding van Joachim Peiper erin diep door te dringen in de geallieerde linies. In de omgeving van Malmedy pleegden Peiperse SS-troepen op 17 december een massamoord op 84 Amerikaanse krijgsgevangenen. Dit bloedbad, later bekend als het Bloedbad van Malmedy, versterkte de vastberadenheid van de geallieerde soldaten om stand te houden.
Bastogne
In het centrum van het offensief lag het stadje Bastogne, een kruispunt van zeven belangrijke wegen. Wie Bastogne had, controleerde de bewegingen van troepen en materieel door de zuidelijke Ardennen. Op 19 december arriveerden de eerste eenheden van de 101e Luchtlandingsdivisie in allerijl in de stad, aangevoerd door brigadegeneraal Anthony McAuliffe. Ze waren overgevlogen vanuit hun kwartieren in Nederland en arriveerden zonder winteruitrusting, met onvoldoende munitie en bij temperaturen die opliepen tot twaalf graden onder nul.
Op 21 december was Bastogne volledig omsingeld door de Duitsers. McAuliffe en zijn 18.000 mannen zaten ingesloten. Een dag later, op 22 december, stuurde de Duitse bevelhebber Heinrich Freiherr von Lüttwitz een schriftelijk ultimatum naar het Amerikaanse hoofdkwartier met het verzoek de stad over te geven. McAuliffes antwoord was één woord: “Nuts!” De Duitse officieren die het antwoord kwamen ophalen, vroegen om verduidelijking. Een Amerikaans officier legde uit dat het neerkwam op: ga naar de duivel.
Bastogne hield stand, maar de situatie was precair. Voorraden slonken, gewonden lagen bij gebrek aan medische middelen onverzorgd, en de temperaturen bleven dalen. Op kerstavond vlogen Amerikaanse transportvliegtuigen, nu de lucht even was opgeklaard, bevoorradingsdroppings boven de stad. Het was onvoldoende, maar genoeg om vol te houden.
Het keerpunt
Op 23 december klaarde de lucht definitief op. De geallieerde luchtmacht kon eindelijk ingrijpen en bombardeerde Duits materieel, bruggen en bevoorradingslijnen. Voor de Duitsers was dit funest: zonder bevoorrading kwamen hun tankdivisies letterlijk stil te staan. Op Eerste Kerstdag 1944 bereikten de meest vooruitgeschoven Duitse eenheden bij Celles, op vijf kilometer van de Maas, hun verste punt. Daar stopte de opmars, omdat de benzine op was.
Op 26 december brak het Derde Leger van generaal George Patton de omsingeling van Bastogne. Patton had zijn troepen in 48 uur gedraaid van een aanvalsrichting naar het oosten naar een opmars naar het noorden, een logistieke prestatie die zijn tijdgenoten verbaasde. Op 30 december bereikte Patton zelf de stad en overhandigde hij McAuliffe een militaire onderscheiding.
De nasleep
Tegen 16 januari 1945 waren de Ardennenlinies hersteld naar de positie van voor de aanval. Op 25 januari was het offensief officieel voorbij. De slag duurde in totaal 41 dagen. De verliezen waren enorm. De geallieerden leden circa 75.000 slachtoffers; de Duitsers verloren naar schatting evenveel. Voor de Duitsers was de slag een strategische ramp: ze hadden hun laatste reserves van tanks, vliegtuigen en ervaren soldaten ingezet en verloren. Na het Ardennenoffensief was de weg naar Berlijn voor de geallieerden open. Vier maanden later was de oorlog in Europa voorbij.
De sporen van de slag zijn nog overal in de Ardennen aanwezig. In Bastogne staat het Bastogne War Museum, het uitgebreidste museum over de slag. Buiten de stad herdenkt het Mardasson-monument de bijna 77.000 Amerikaanse militairen die sneuvelden, gewond raakten of vermist raakten. In het Bois Jacques bij Bizory zijn de schuttersputjes van de Easy Company nog zichtbaar in het bos. Bij La Gleize staat nog altijd een originele Koninkstijger-tank van Peiper. In Baugnez bij Malmedy herdenkt het museum Baugnez 44 het bloedbad van december 1944. Op de Amerikaanse militaire begraafplaats bij Henri-Chapelle rusten meer dan 7600 Amerikaanse soldaten.
Meer over het Ardennenoffensief
Het Bastogne War Museum is het uitgebreidste museum over de Slag om de Ardennen. Via vier historische personages worden bezoekers meegenomen door de gebeurtenissen van december 1944. Het museum staat naast het Mardasson-monument, aan de rand van Bastogne. Een bezoek duurt gemiddeld twee tot tweeënhalf uur.
Het Mardasson-monument staat aan de Route de Bizory bij Bastogne. Het stervormige monument eert de bijna 77.000 Amerikaanse militairen die sneuvelden, gewond raakten of vermist raakten tijdens de Slag om de Ardennen. Vanbovenop het monument is er uitzicht over het landschap waar de gevechten plaatsvonden.